Paardengebit: Hoe zit dat precies?

0
172
Paardentandarts
Paardentandarts © DigiShots

Een paardengebit hoort goed te functioneren voor een gezond spijsverteringsproces. Het zorgt er ook voor dat je een fijne samenwerking met je paard hebt.

Het gebit van en paard is ontwikkeld voor het vermalen van vezelrijk en plantaardig eten.

Het hele paardenleven lang blijft het paardengebit doorgroeien en vinden er veranderingen plaats. Om die reden is het verstandig dat het paardengebit regelmatig gecontroleerd wordt.

Premolaren

Bij de geboorte van het veulen heeft hij al twaalf kiezen, dit zijn de premolaren. Binnen één week na de geboorte komen de eerste snijtanden al door. Bij een leeftijd van 6 tot 8 maanden, heeft het veulen alle twaalf snijtanden.

Wisselen van het gebit

Normaal gesproken wisselen de snijtanden (van binnen naar buiten) op 2,5 jarige, 3,5 jarige en op 4,5 jarige leeftijd. Premolaren (melkkiezen) wisselen al iets eerder dan de snijtanden. Dit gebeurt op 2,5 jarige, 3 en op 3,5 jarige leeftijd. Een half jaar na het wisselen komt de desbetreffende snijtand ‘in slijting’. Dat betekent dat de snijtand contact maakt met het tegenoverliggende tand (occlusie) zodat deze gebruikt kan worden voor het afsnijden van gras. Tot die tijd zit er ruimte tussen de twee tanden.

Molaren zijn blijvende kiezen en komen tevoorschijn wanneer het paard tussen de 1 en 3 jaar is. Deze kiezen zijn vanaf 2 jaar in slijting.

Tijdens het wisselen van de premolaren kunnen resterende tanden bovenop de nieuwe tanden blijven zitten, dit heet ook wel ‘doppen’. De kiezen beginnen pas na een jaar te slijten. Op 5-jarige leeftijd is een paard normaal gesproken uitgewisseld.

Het wisselen van het jonge gebit loopt natuurlijk niet altijd vlekkeloos. Wanneer bijvoorbeeld een restant van een melkkies op de dop zitten, kan dit klachten geven tijdens het eten of bij het rijden. Als het probleem niet op tijd verholpen wordt, dan kan het zelfs leiden tot blijvende gebitsafwijkingen.

Aanpassingen gedurende jaren

Gedurende miljoenen jaren heeft het paardengebit zich aangepast aan hard ruwvoer. Er is dan ook veel veranderd in het voerbeleid van het moderne paard. Bijvoorbeeld veel zacht krachtvoer, snoepgoed en de ontwikkeling naar steeds ‘fijner’ hooi. Door deze veranderingen slijt het gebit niet meer op natuurlijke wijze. Het paard kan daardoor richels, haken en punten ontwikkelen. Dat zorgt ervoor dat het malen moeilijker gaat. Dit kan problemen veroorzaken voor het welzijn en de gezondheid van het paard.

Meest voorkomende problemen

De meest voorkomende problemen met het gebit zijn:

  • Glazuurpunten, door te weinig zijwaartse kauwslagen kan het glazuur onvoldoende slijten.
  • Doppen, een blijvende kies of tand die door komt waarbij de wortel van de melkkies nog niet is opgelost.
  • Golven, ongelijke slijtage aan het paardengebit.
  • Haken, die ontstaan als tegenoverliggende kiezen niet evenredig afslijten.
  • Onderbeet, overbeet en tandsteen.

Wolfskiezen

Wat ook een veel voorkomend probleem is zijn wolfskiezen. Voor de eerste kies ontwikkelt zich een klein kiesje. Er is nog steeds niet duidelijk wat de functie van deze kies is. In sommige gevallen kan deze wolfskies problemen geven met de bitligging. Het paard krijgt pijnklachten wanneer het bit de wolfskies raakt.

Hengsten- of ruinentanden

Wat ook regelmatig voorkomt zijn hengsten- of ruinentanden, maar dat is geen afwijking aan het paardengebit. Deze tanden ontwikkelen zich in de onderkaak van de paardenmond tussen de snijtanden en de eerste kiezen. Ze hebben geen extra functie voor het verteringsproces van het paard, maar zijn wel functioneel voor het vechten. Vandaar dat alleen hengsten deze tanden ontwikkelen.

Problemen verhelpen

Komt een van de boven genoemde kenmerken je bekend voor? Dan is het verstandig om het gebit na te laten kijken door een paardentandarts of -gebitsverzorger. Zij kunnen de problemen verhelpen omdat zij beschikken over de hulpmiddelen en de kennis.  Daarnaast is de paardentandarts/dierenarts als enige bevoegd om het paard te sederen (te verdoven). Dit kan nodig zijn omdat niet elk paard het prettig vindt dat er in zijn mond gewerkt wordt. Sedatie kan stress besparen.

Kliniek

De meeste gebitsafwijkingen kunnen vaak meteen behandeld worden. Dit wordt gedaan met een mechanische vijl/rasp of met een handvijl/rasp. Het kan soms zijn dat er een grotere ingreep nodig is. Het paard zal dan meestal behandeld moeten worden in de kliniek en vaak met een zwaardere sedatie.

Vermoed je tussentijds problemen? Bijvoorbeeld tijdens het rijden of met het eten, dan is het verstandig direct een deskundige in te schakelen, hiermee kun je een hoop last voorkomen voor je paard, en uiteindelijk ook voor jezelf.

Tekst: Isa Vorkink voor Cap Magazine, overname zonder bronvermelding én toestemming via redactie@capmagazine.eu is niet toegestaan.

 

Bron: Paardenarts

LAAT EEN REACTIE ACHTER